Terug

Carpaal tunnel syndroom

Bij een carpaal tunnel syndroom (CTS) is een van de grote armzenuwen (de nervus medianus) bekneld.

Deze beknelling vindt plaats ter hoogte van de pols. Hier loopt de zenuw samen met de buigpezen door een tunnel (de carpale tunnel). Deze tunnel wordt in de bodem gevormd door de handwortelbeentjes met als dak een stevig bindweefselblad. Door zwelling van het omliggende weefsel (bijvoorbeeld de buigpezen) wordt de druk in de tunnel te hoog met als gevolg beknelling van de zenuw. De zwelling kan te maken hebben met bijvoorbeeld een polsbreuk, slijtage of suikerziekte maar kan ook spontaan optreden.

Carpaal Tunnel Syndroom

Een dof, tintelend of pijnlijk gevoel treedt op in een bepaald deel van de hand (rood). Bij een operatie wordt het ‘dak’ van de tunnel gekliefd. Het litteken (groene stippellijn) en het gebied er om heen (rood) kan nog enkele weken tot maanden gevoelig blijven.

 

Klachten

Bij een carpaal tunnel syndroom (CTS) kunt u last hebben van:

  • Een tintelend, pijnlijk of prikkelend gevoel in de hand en de vingers (in de duim, wijs- en middelvinger).
  • Een doof gevoel in de vingertoppen.
  • Een uitstralende pijn naar de onderarm, de elleboog en de schouder.
  • Krachtsverlies waardoor u dingen makkelijk uit de hand laat vallen.


De klachten kunnen toenemen bij:

  • Het langdurig maken van dezelfde beweging met de handen.
  • Houdingen waarin u weinig beweegt (bijv. bij autorijden, lezen).
  • Gedurende de nacht.
  • Bij hormoonschommelingen (bijv. tijdens de zwangerschap of de overgang).

Onderzoeken

Veelal wordt u in eerste instantie doorverwezen naar de neuroloog. Afhankelijk van uw klachtenpatroon en de bevindingen tijdens het gesprek en het lichamelijk onderzoek kan er aanvullend onderzoek nodig zijn. In geval van verdenking op een carpaal tunnel syndroom (CTS)  kan er een Elektromyogram (EMG) gemaakt worden. Het EMG geeft informatie over de geleiding van prikkels via de zenuwen naar de spieren. Dit onderzoek wordt verricht door de laborant van de afdeling Klinisch Neurofysiologie of soms door de neuroloog. Het is zelden nodig verder onderzoek te doen. De neuroloog verwijst de patiënt door (naar de plastisch chirurg of de neurochirurg) voor een eventuele operatie. 

Behandeling

Niet-operatieve behandeling

  • Een rustspalk – het dragen van een spalk gedurende de nacht (en/of bij intensieve polsbelastende activiteiten) geeft de pols rust en kan een afname van de klachten geven. Alleen bij milde klachten zal een spalk baat hebben.
  • Injectie met ontstekingsremmers (corticosteroïden) – bij milde klachten kan een injectie effect hebben. Het effect van de injectie kan tijdelijk zijn.

Operatieve behandeling

Bij ernstige klachten is een operatie vaak de enige methode om van de carpaal tunnel syndroom (CTS) klachten af te komen. Bij een operatie wordt het dak van de carpale tunnel gespleten (in de lengte doorgesneden) zodat de zenuw meer ruimte krijgt.
 
Voor de operatie
Voor de operatie dient u rekening te houden met onderstaande zaken:

  • Draag makkelijke, ruimvallende kleding.
  • Neem een begeleider mee naar het ziekenhuis om u na de operatie te helpen met het aankleden/vervoer naar huis.
  • Draag geen sieraden of nagellak.
  • Gebruik geen handcrème op de dag van de ingreep.
  • Haal alvast pijnstilling in huis (u kunt volstaan met paracetamol).
  • Geef eventuele allergieën voor de ingreep door aan de arts.
  • Stop in overleg met de arts enkele dagen voor de operatie met bloedverdunnende medicatie. U kunt dit één dag na de operatie weer hervatten.

Operatie
De operatie gebeurt poliklinisch onder lokale verdoving door middel van een injectie. Slechts zelden wordt gekozen voor dagbehandeling onder verdoving van de gehele arm of volledige anesthesie. De arts overlegd met u wat in uw geval het beste is.

Bij de operatie ligt u op de rug met uw arm opzij. Voor de start van de operatie krijgt u een band (tourniquet) om de bovenarm. Deze band wordt, nadat de verdoving is ingewerkt opgeblazen. Door de druk van de band worden de bloedvaten naar de hand dichtgedrukt. Gedurende de ingreep stroomt er dan een korte periode geen bloed naar de hand. Zo wordt een beter zicht voor de chirurg gecreëerd. De druk van deze band kan als onprettig worden ervaren. Aan de binnenzijde van de pols wordt een korte snede van ongeveer drie centimeter gemaakt. Het bindweefselblad wordt doorgesneden zodat de zenuw meer ruimte krijgt. De wond wordt gesloten en er wordt een verband aangelegd. Hierna kan de band rondom de bovenarm weer leeglopen, zodat de bloedaanvoer naar de hand weer hersteld. Dit kan kortdurend prikkelende sensaties geven. De coördinatie van bewegingen van uw arm en hand kunnen de eerste uren na de operatie nog lastig zijn  als gevolg van de verdoving. 

Nazorg

  • Na de operatie wordt uw hand strak verbonden. Het drukverband kan na een week worden verwijderd. U dient het verband droog te houden. Tijdens douchen kunt u een plastic zak om de hand doen. Als het verband te strak zit mag u eventueel het buitenste verband opnieuw aanleggen.
  • U krijgt een draagdoek (mitella) aangemeten. U dient de mitella de eerste drie dagen te dragen of de hand hoog te houden. 's Nachts hoeft u de mitella niet om en u kunt uw hand dan het beste op een kussen laten rusten.
  • Het is van belang dat u de vingers regelmatig beweegt om stijfheidsklachten te voorkomen. Dit kunt u doen door 5x per dag 10 maal de vingers recht te maken en 10 maal een vuist te maken. Dit herhaalt u nog eens waarbij u de andere hand gebruikt om de vingers te bewegen. Daarnaast kunt u 5x per dag 10 maal de vingers spreiden en sluiten om het vocht uit de hand weg te pompen.
  • Voor eventuele napijn kunt u paracetamol (max. 4 x daags 1.000 mg) gebruiken.
  • Zelf autorijden met het drukverband mag niet, u bent dan niet verzekerd.
  • De hechtingen worden na ongeveer 10 dagen door de verpleegkundige verwijderd.


Hersteltraject (operatieve behandeling)
Afhankelijk van de duur en de ernst van de beknelling zal de zenuw na de operatie herstellen. De carpaal tunnel syndroom (CTS) klachten van gevoelloosheid en tintelingen verdwijnen direct na de ingreep of na verloop van tijd. In slechts enkele gevallen verdwijnen de CTS klachten niet of onvolledig. In minder dan 2% komt de aandoening terug. De hand en vingers kunnen enige tijd wat stijver zijn. Het terugkomen van de kracht in de pols en hand kan soms enige weken tot maanden duren. Regelmatig komt het voor dat het litteken en het gebied rondom het litteken langere tijd (weken tot maanden) gevoelig is bij aanraken en druk zetten. Deze klachten zijn vrijwel altijd tijdelijk.

Handenteam
Na een carpaal tunnel syndroom (CTS) operatie kan het in enkele gevallen nodig zijn dat er nabehandeling volgt. De nabehandeling bestaat uit spalk- en oefentherapie. Deze nabehandeling vindt plaats bij het Hand- en Pols Expertisecentrum van het Maasstad Ziekenhuis en wordt uitgevoerd door medewerkers van het handenteam.

Mogelijke complicaties
Bij alle operaties bestaat een geringe kans dat complicaties zich voordoen. Voor de volledigheid noemen we de (zeer) zeldzame complicaties. Als u vragen heeft over de mogelijke complicaties, raden wij u aan om contact op te nemen met uw behandelend arts.

  • Een wondinfectie, een nabloeding of een veranderd gevoel rondom het litteken. Neem bij roodheid, koorts of erge pijnklachten contact op met het ziekenhuis.
  • Na een trauma of operatie van de hand kunnen er onbegrepen klachten ontstaan die niet direct te maken hebben met het trauma of de operatie. Deze klachten omvatten roodheid, zwelling, een glanzende huid, stijfheid en pijn. Ook kan er een intolerantie ontstaan voor kou. Deze klachten komen slechts zeer zelden voor en zijn vaak tijdelijk.
  • De operatie aan een carpaal tunnel syndroom (CTS) heeft als zeer zeldzame complicatie een verminderd gevoel van de duimmuis of de vinger. Dit ontstaat door letsel aan zenuwtakjes.

Maasstad Ziekenhuis gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.