Historie
Tussen de jaren 1990 en 2005 waren er weinig echt effectieve behandelopties voor MS. Middelen zoals interferonen, glatiramir-acetaat (eerder met de merknaam Copaxone, nu Mylan) bestaan het langste. Daarna zijn er verschillende pil-medicamenten en infuusbehandelingen bij gekomen. Momenteel komt er bijna elke jaar een nieuwe therapie uit, veelal dezelfde middelen met bijvoorbeeld een gunstiger bijwerkingen profiel.
Veel belovende therapieën zijn soms ook weer van de markt gehaald, omdat ze toch ernstige en zeldzame bijwerkingen bleken te hebben. Een voorbeeld hiervan is daclizumab (2018) waarbij er in de praktijk toch een verhoogde kans bleek op herseninfecties. Dit viel pas op toen er grotere groepen patiënten aan het middel werden blootgesteld. Bij langer bestaande therapieën is het profiel van bijwerkingen vrijwel volledig bekend.
Eerste- en tweedelijns medicatie?
Historisch is er in Nederland voor MS-medicatie een systeem van eerste- en tweedelijns medicatie. MS-medicatie is duur (ongeveer € 15.000 per jaar, afhankelijk van het middel) en niet alle middelen worden vergoed als een 1e behandeling voor MS (bijvoorbeeld voor fingolimod en cladribine moet men al 1 ander middel hebben gehad wat niet genoeg hielp). Soms heeft dit ook met bijwerkingen te maken die gemiddeld heviger kunnen zijn bij de tweedelijns medicatie.
Tweedelijns medicamenten konden vroeger pas worden voorgeschreven als een eerstelijns medicament niet genoeg hielp. Deze regels maken dat u bij aanvang van de diagnose niet voor alle therapieën kan kiezen. Nu kunnen wij bij actieve MS direct kiezen voor een doortastende en effectieve behandeling, doordat deze in de tijd beschikbaar zijn geworden.
Wat doet een MS-therapie voor mij?
Kort en makkelijk gezegd: het remt ziekteactiviteit. Bijvoorbeeld het aantal schubs per jaar of de mate waarin de ziekte toeneemt in de tijd. Zeker vroeg in de ziekte is het belangrijk om de ziekte zo goed mogelijk te onderdrukken. Als men hiernaar streeft, zal men dus geen nieuwe schubs en/of plekken accepteren onder de behandeling.
Dit betekent dus in de praktijk dat als u start met een middel dat gemiddeld 60% van de ziekte activiteit remt, u nog ongeveer 40% kans heeft dat het middel niet alle ziekte remt en dat u na 1 jaar moet kiezen voor een sterkere therapie. Dit kan onzekerheid geven, los van de gevolgen van onvoldoende behandelde ziekte.
Toch zegt een gemiddelde voor u als patiënt niet alles. Het zegt wat over de sterkte van het middel in zijn algemeen. Er zijn veel patiënten die geen ziekteactiviteit hebben op een middel wat op papier maar 40% remt, maar in hun situatie (bijvoorbeeld bij laag actieve MS) hun ziekte voldoende behandeld. Vaak zijn dit ook nog middelen met minder bijwerkingen of een praktisch gemak dus dan toch de beste keuze die persoon betreft.
Andersom, als een MS patiënt zeer veel ziekte activiteit heeft is het beter om direct voor een sterke therapie te kiezen die bijvoorbeeld 80 tot 90% van de nieuwe MS aanvallen remt. Deze persoon heeft dan de beste kans om de komende jaren weinig tot minder last te hebben van zijn MS en is bijvoorbeeld de keuze voor een bescheiden effect middel onverstandig waarbij deze persoon dan onnodig risico loopt op schubs en uiteindelijk toch over zal stappen op een sterker middel.
Wat bepaalt de keuze?
Geen enkele therapie is in staat om de ziekte te genezen. Het remt in een bepaalde mate de ziekteactiviteit (vooral nieuwe schubs en MS-plekken op de scans).
Behandelingen kunnen wel dusdanig effectief zijn dat patiënten vrijwel geen nieuwe klachten meer ervaren, geen schubs hebben en een relatief stabiel verlopende ziekte (vooral bij aanvalsgewijze MS).
Het lijkt er sterk op dat het beter is om de ziekte vroeg en krachtig te behandelen. Het effect van de behandeling (hoe krachtig de behandeling ook is) neemt af met de leeftijd en de duur van de ziekte. Dit heeft er onder andere mee te maken dat medicatie minder tot niet helpt in de secundair progressieve fase. De kracht van ons immuunsysteem neemt bij het ouder worden ook af en MS is dan vaak ook minder actief.
Als de ziekteactiviteit hoog is dan is een sterk afweerremmend middel geïndiceerd, waarbij de behandelzwaarte en risico’s in verhouding staan tot de ziekte.
Andersom, als er sprake is van een gunstig verlopende MS staan de risico’s van de sterkere therapieën niet altijd in verhouding tot de ernst van de MS en kan er in veel gevallen beter gekozen worden voor een mildere therapie (of met meer gebruiksgemak). Uw neuroloog kan u hierbij helpen.
Er zijn echter ook kuren die een patiënt 2 tot 3x ontvangt met nadien een jarenlang ziekte remmend effect. Voorbeelden hiervan zijn onder andere cladribine (tabletkuur) en alemtuzumab (infuuskuur). Dit principe van een krachtige (tijdelijke) therapie vooraf met een langdurig behandeleffect wordt ook wel ‘inductietherapie’ genoemd.
Bijwerkingen
Zeker niet iedereen krijgt bijwerkingen, maar het is van belang om bijwerkingen te voorkomen. Bij alle middelen zijn er behandelprotocollen en wordt regelmatig bloedonderzoek gedaan om bijvoorbeeld stoornissen in de lever, nier en afweer functie vroegtijdig te signaleren. Hierin begeleidt de MS-verpleegkundige u.
Zwangerschap
Niet alle middelen zijn te combineren met een actieve zwangerschapswens. Bijvooreeld glatirameer-acetaat kan veilig gebruikt worden tijdens de zwangerschap en bijvoorbeeld tysabri kan tot het derder trimester gebruikt worden en is toch een zeer effectief MS-middel.
Effectieve anticonceptie is bij veel MS-middelen van belang gelet op de mogelijke nadelige effecten op de ongeboren vrucht mocht u toch zwanger worden.
Sommige middelen hebben kans op een gevaarlijke virusinfectie (PML)
Dit betreft een gevaarlijke virusinfectie (of PML) van de hersenen veroorzaakt door het JC-virus. Het JC-virus is in opzet een onschuldig virus wat ook in de gezonde bevolking vaak voorkomt. Bij een ernstige stoornis in de afweer (of door bepaalde medicatie) kan het de hersenen infecteren. Het geeft neurologische symptomen die sterk kunnen lijken op MS en kan levensbedreigend zijn.
Tijdig herkennen is van belang. Hieronder ziet u een afbeelding van een scan met PML. De witte gebieden zijn aangedaan met de infectie. Bij middelen zoals tecfidera en fingolimod (waarschijnlijk ook bij ozanimod) is er een zeer kleine kans (circa 1:100000) dat hierbij een actieve PML-infectie ontstaan en vooral bij combinaties van afweerremmende medicamenten en een onderliggende aanleg, andere ziekten of lage afweercellen in het bloed.
Natalizumab geeft door zijn werking bij de bloed hersenbarrière een verhoogde kans op PML, maar enkel bij aantoonbare aanwezigheid bij het JC-virus. Bij chronisch gebruik van tysabri wordt hierom halfjaarlijks een JC test gedaan. PML ten gevolge van natalizumab treedt in de regel pas op na 2 jaar behandelen, zelfs indien JC positief getest. Mede hierom volstaat halfjaarlijks testen.
Als het virus niet aantoonbaar is dan kan de behandeling met tysabri veilig worden ingezet. Er is wel een kans dat men gedurende de behandeling toch het virus oploopt. Dit is praktisch niet te voorkomen.
Hoe hoger de mate van de aanwezigheid van het virus (titer), hoe hoger de kans op PML. Titers van 0.6 of lager worden gezien als minder risicovol, maar erboven, neemt het risico op de infectie PML snel toe in de tijd. Ooit is de kennis over PML verkregen toen tysabri nieuw op de markt kwam en er mensen ziek werden zonder dat men wist van het JC-virus in relatie tot de behandeling. Dit onderstreept dat er zeker bij een nieuwe therapie een hogere alertheid moet zijn voor zeldzame bijwerkingen.